![]() |
Het pad was hier geen pad, maar een diep uitgesleten spoor van terreinwagens, gebruikt voor het opjagen van halfwilde runderen. Het land lag wijd open, als een pulserende wond van schoonheid. De naakte heuvels lieten zich overschaduwen door in dikke wouden gehulde bergen, die met hun rotskoppen de horizon aftuurden. En wat ze ook zagen, er leek nooit reden genoeg om zich te bewegen. Stilstaan was de regel, wat de wind ook wilde en de regen ook beval. De bergen waren baas. Mensen klagen als een bergtop zich in nevelen hult, maar ze snappen het niet. Mist is het mooiste wat er is, want er blijft zo veel te raden over. Stel je voor dat je bij nacht aankomt aan een diep en donker meer, omringd door donkergroene heuvels met daarachter leigrijze rotsen en witte spitsen, weerkaatst in het stille, dodelijke water. Stel je voor dat je geen idee hebt waar je bent en door het donker alleen de vage schimmen ziet van de bergen aan de overkant van het meer. Het eerste wat je de dag erop doet als je de gordijnen van je kamer openschuift, is met open mond uit het raam kijken. Hoe heb je dit gisteren kunnen missen? Zo werkt nevel ook, maar dan sneller. Vandaag was er geen nevel. De toppen blaakten in de zon. Geen mysterie, maar harde werkelijkheid. Duidelijke lijnen, geen verrassing, geen verbazing. De flank van de heuvel was bespikkeld met kale witte stammen. Het pad werd omringd door een woud van houten skeletten, die ooit takken vol kleine groene blaadjes torsten. De bomen waren al lang dood. Misschien waren ze het slachtoffer geworden van een lawine en hadden ze vele maanden lang geen zonlicht gezien. Misschien was het een massale zelfmoordactie, uit wanhoop geboren, omdat de winter zo lang duurde. Misschien waren dit lemmingbomen. Ik geloofde meer in die lawine. Ik liep door het woud heen en keek naar de takken, die zich kronkelend ten hemel richtten. Dit was Pompeï. Hier waren honderden levens ten onder gegaan aan as, zodat alleen hun hardgebakken omhulsels waren blijven staan. Op een kruispunt van valleien splitste de rivier de Ada zich van de Christopher. Het was een samenkomst van valleien, een aftakking van eeuwenoude wegen die niet door mensenhanden waren gemaakt. De ware geschiedenis van dit land was door water en steen gevormd, met gras en bomen bedekt en ingekleurd met bloemen en blad. De natuur was hier de meester, de mens mocht een beetje afkijken. De vallei vulde zich met het verre geloei van koeien. Ze liepen los in deze vallei, want het was tenslotte een veehouderij waar het pad doorheen was gelegd. Ik liep door de goudbruine velden en een paar moeders sukkelden met hun kalveren aan de kant. Ze waren niet angstig, zoals schapen. Ze bezaten een onverbeterlijke nieuwsgierigheid. Deze kudde bleek nog nieuwsgieriger dan normaal. Koeien zijn net water. Ze volgen de weg van de minste weerstand. In de vallei volgden ze de het voor mensen gebaande paden alsof het hun eigen tuinpad betrof. De truc bij het omgaan met loslopende koeien is om rustig te lopen en de koe ruimte te geven om van je weg te lopen. Breng een koe in het nauw en ze loopt over je heen, zeker met een kalf naast zich. Vijf minuten nadat ik de koeien en hun kalveren was gepasseerd, zette ik mijn rugzak neer om wat te drinken. Ik keek eens om me heen en voelde van achter een paar struiken grote donkere ogen op me gericht. Een paar koeien waren me achterna gelopen en staken hun bruine koppen door de takken heen. Ze keken me aan alsof ik een nieuwe buurman was, maar wel een vreemde. Ik voelde me niet bedreigd, alleen geraakt door hun vriendelijke nieuwsgierigheid. 's-Avonds in Christopher Hut hoorde ik weer de koeien loeien. Hun roep weerkaatste door de hele vallei. De stier riep met korte stoten, de koeien riepen met lange stoten terug. Het had iets spookachtigs, alsof ze het met elkaar over ons hadden en wat ze met ons moesten doen… De vallei was bezit van de bergen, maar was bezeten door de koeien. |